11 juli 2017 | Publicatie
Door: Gerard Zuidgeest

Hoge Raad geeft (iets) meer duidelijkheid over billijke vergoeding bij ontslagzaken

Na de invoering van de WWZ kan de rechter in ontslagzaken naast de transitievergoeding in uitzonderingsgevallen ook een billijke vergoeding toekennen.

De billijke vergoeding is er in drie smaken: (1) na een onterecht gegeven ontslag op staande voet, (2) indien de werkgever bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Voorts kan de rechter (3) bij de ontbinding van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die niet tussentijds kan worden opgezegd aan werkgever of werknemer een billijke vergoeding toekennen, indien de beëindiging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de andere partij. Deze laatste situatie komt minder vaak voor dan de eerste twee.

Verschillende opvatting rechtspraak
Met een recent arrest heeft de Hoge Raad meer duidelijkheid gegeven hoe om te gaan met de billijke vergoeding na een onterecht ontslag op staande voet.

In de rechtspraak werd daarover nog verschillend gedacht. Sommige rechters meenden dat indien het ontslag op staande voet niet correct moest worden geacht, “automatisch” recht zou bestaan op de toekenning van een aanzienlijke billijke vergoeding aan de werknemer, mede om de werkgever te straffen voor het te snel inzetten van het meest vergaande ontslag (op staande voet) in het arbeidsrecht. Er werden soms zeer aanzienlijke bedragen (> € 100.000,--) toegekend.

Andere rechters meenden dat aan de hand van de omstandigheden van het geval diende te worden nagegaan of aanleiding bestond om naast de transitievergoeding een billijke vergoeding toe te kennen en meenden dat uit de wettekst zelf niet volgde dat steeds een billijke vergoeding zou moeten worden toegekend.

Vooral indien de werknemer wel (aanzienlijk) verwijtbaar had gehandeld, maar dat toch niet tot een ontslag op staande voet kon leiden (bijvoorbeeld omdat er teveel tijdsverloop na de ontdekking van de gedraging was gepasseerd of vanwege de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de werknemer), voelde toekenning van een aanzienlijke billijke vergoeding voor veel werkgevers als zeer onrechtvaardig.

Recent arrest
De Hoge Raad stelt allereerst vast dat de werknemer bij een onjuist ontslag op staande voet de keuze heeft de rechten te vragen opzegging te vernietigen, als gevolg waarvan hij bij werkgever in dienst is gebleven en recht heeft op doorbetaling van het salaris, dan wel kan verzoeken om naast de transitievergoeding een billijke vergoeding toe te kennen. In dat geval blijft de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de datum dat door de werkgever ontslag op staande voet is verleend, in stand.

De Hoge Raad stelt vast dat bij de vaststelling van de omvang van de billijke vergoeding bij een onjuist ontslag op staande voet alle omstandigheden van het geval dienen te worden gewogen en de billijke vergoeding géén punitief karakter heeft.

Onder andere kan een rol spelen:
- Of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen. Hieruit volgt dat als het ontslag op staande voet net niet houdt, maar de grondslag wel voldoen zou zijn geweest voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst, de billijke vergoeding beperkt lijkt te kunnen blijven tot een theoretische berekening van het loon dat de werknemer nog zou hebben ontvangen vanaf het moment van het ontslag op staande voet tot het moment waarop de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou hebben kunnen plaatsvinden.
- Of de werknemer inmiddels anders werk heeft gevonden. De Hoge Raad meent dat de rechter rekening kan houden met de inkomsten die de werknemer daaruit geniet maar ook met (andere) inkomsten die werknemer in redelijkheid in de toekomst zou kunnen verwerven.

Volgens de Hoge Raad dient bij het vaststellen van de billijke vergoeding te worden tegengegaan dat werkgevers voor het vernietigbare ontslag op staande voet kiezen omdat dit voor hen voordeliger is dan het op de juiste wijze beëindigen van de arbeidsovereenkomst of in stand houden daarvan.

Waar de Hoge Raad dus aan de ene kant bepaalt dat deze vorm van billijke vergoeding geen bestraffend karakter heeft, wordt mijns inziens aan de andere kant toch de deur wagenwijd opengezet voor de toekenning van (zeer) hoge billijke vergoedingen in geval van een onterecht ontslag op staande voet.

Ingeval sprake is van een oudere werknemer met een verhoudingsgewijs slecht arbeidsmarktperspectief die al relatief lang bij de werkgever werkt, zou de rechter immers tot uitgangspunt kunnen nemen dat betreffende werknemer, het ontslag op staande voet weggedacht, nog een significant aantal jaren bij de werkgever had kunnen werken. Dan zou de billijke vergoeding kunnen worden gebaseerd op de inkomensschade die die werknemer lijdt.

Het blijft bij ontslag op staande voet dus opletten geblazen.

Aan de andere kant geeft naar mijn gevoel het arrest van de Hoge Raad werkgevers wel meer ruimte om in zaken die er om hangen, toch te kiezen voor het ontslag op staande voet nu zij weten dat zij daarvoor niet extra zullen worden gestraft in geval het ontslag op staande voet niet mocht houden.

Een goede inschatting van de kansen in een ontslag op staande voet procedure blijft dus van groot belang.

Meer informatie
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Gerard Zuidgeest om uw situatie te bespreken: 0172 - 50 32 34 of gzuidgeest@lagrolaw.nl

Link arrest Hoge Raad