25 augustus 2017 | Publicatie
Door: Rob de Bruin

Bestuurders- versus beroepsaansprakelijkheid

Indien een bestuurder namens een besloten vennootschap handelt en daarmee een onrechtmatige daad begaat, is in beginsel slechts de besloten vennootschap aansprakelijk en niet de bestuurder. De bestuurder handelt immers niet voor zichzelf, maar vertegenwoordigt de besloten vennootschap. Toch is bepaald dat er omstandigheden denkbaar zijn waaronder niet slechts de vennootschap voor het handelen van de bestuurder aansprakelijk kan worden gehouden, maar ook de bestuurder zelf.

Dat is bijvoorbeeld het geval als van het onrechtmatig handelen aan de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het gaat in die gevallen om een bestuurder die een schuldeiser van de vennootschap benadeelt door het onbetaald laten van diens vordering op de vennootschap, zonder dat er enig verhaal door die schuldeiser kan worden genomen en waarbij de bestuurder a) namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen of b) ervoor heeft zorggedragen of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In die gevallen kan het de bestuurder worden verweten dat de vennootschap haar verplichtingen jegens de schuldeiser niet is nagekomen. Naast de vennootschap is in dat geval ook de bestuurder aansprakelijk.

De Beroepsbeoefenaar
Degenen die een beroep uitoefenen, zoals de advocaat, de accountant en de makelaar, doen dat vaak middels een zogenaamde praktijk B.V. Voor hen geldt de norm dat zij dienen te handelen als redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar. Schenden zij deze plicht, dan zijn in dat geval de gewone regels voor het onrechtmatig handelen op hen van toepassing, oftewel in dat geval geldt niet de horde die genomen moet worden in het geval van bestuurdersaansprakelijkheid. De schuldeiser hoeft in die gevallen niet te bewijzen dat de bestuurder voor zijn handelen een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Recente jurisprudentie
Recent kreeg de rechtbank Midden-Nederland een zaak voorgelegd van de heer Vogels die in 2010 een deposito-overeenkomst had afgesloten met assurantiebedrijf Van Gool B.V. Bart van Gool, één van de bestuurders, voerde alle gesprekken met de heer Vogels. Thomas van Gool, zijn broer, was daarbij niet aanwezig. In de gesprekken met de heer Vogels heeft Bart van Gool ten onrechte de indruk gewekt dat het geld dat door de heer Vogels werd gestort op een depositorekening bij SNS Regio Bank zou worden ondergebracht. Dat laatste is echter niet gebeurd. Bart van Gool heeft het geld laten storten op de bankrekening van het assurantiebedrijf en in feite betrof het hier simpelweg een geldlening aan het assurantiebedrijf, dat overigens in zwaar weer verkeerde. Over dat laatste heeft Bart van Gool de heer Vogels evenmin geïnformeerd. Deze eerste overeenkomst is namens het assurantiebedrijf slechts getekend door Bart van Gool.

In september 2011 is de overeenkomst met de heer Vogels opnieuw aangegaan en gesplitst in een tweetal overeenkomsten. Deze overeenkomsten zijn namens het assurantiebedrijf getekend zowel door Bart als door Thomas van Gool.
Niet veel later, te weten in januari 2012, hebben de heren Van Gool hun assurantiebedrijf verkocht aan een derde en hebben zij de bedrijfsvoering gestaakt. De koopsom van het assurantiebedrijf werd door de derde in termijnen betaald en vanuit die termijnen konden de heren Van Gool de maandelijkse aflossingen aan de heer Vogels voldoen. Toen de derde zijn betaling van de kooptermijnen evenwel staakte, was dat niet langer mogelijk en het assurantiebedrijf is uiteindelijk failliet verklaard op 19 augustus 2014.

De heer Vogels heeft naast het assurantiebedrijf ook de heren Van Gool aansprakelijk gesteld voor het onbetaald laten van zijn vordering. De grondslag van de vordering van de heer Vogels was een op onrechtmatige daad gebaseerde bestuurdersaansprakelijkheid. Het verwijt dat de heer Vogels het assurantiebedrijf en Bart van Gool maakt, komt er feitelijk op neer dat zij Vogels geadviseerd hebben om de overeenkomsten met het assurantiebedrijf aan te gaan, terwijl zij wisten dat het assurantiebedrijf deze overeenkomsten niet zou (kunnen) nakomen en zij de indruk hebben gewekt dat de gelden van de heer Vogels ondergebracht zouden worden bij de Regiobank, terwijl dit niet het geval was. Daarnaast stelt de heer Vogels zich op het standpunt dat Thomas van Gool en Bart van Gool tekort zijn geschoten in de advisering van de heer Vogels en dat zij niet hebben voldaan aan hun zorgplicht jegens de heer Vogels (de beroepsaansprakelijkheid).

De rechtbank wijst de bestuurdersaansprakelijkheidsclaim af. De rechtbank meent dat de heer Vogels niet heeft bewezen dat de heren Van Gool ten tijde van het afsluiten van de overeenkomsten wisten of konden vermoeden dat het assurantiebedrijf niet aan haar betalingsverplichtingen met de heer Vogels kon voldoen.

De rechtbank wijst de claim op grond van de beroepsaansprakelijkheid evenwel toe. Daartoe overweegt zij dat de heer Vogels bij het aangaan van de overeenkomsten onvoldoende c.q. onjuist door het assurantiebedrijf is geïnformeerd, terwijl informatievoorziening (juist in het geval dat het assurantiebedrijf een lening krijgt van een klant, die zij ook adviseert) essentieel is. De rechtbank overweegt dat juist door het feit dat financieel advies onderdeel uitmaakte van de activiteiten van het assurantiebedrijf er een extra verantwoordelijkheid lag bij de bestuurders van het assurantiebedrijf om na te gaan of de heer Vogels deze lening en de voorwaarden begreep en om hem bij het aangaan van de overeenkomsten volledig te informeren, bijvoorbeeld over de financiële positie van het assurantiebedrijf en de risico’s die de heer Vogels liep door het verstrekken van de lening en het ontbreken van zekerheden voor de terugbetaling van de lening.

De rechtbank overweegt voorts dat – naast het assurantiebedrijf – ook Thomas van Gool aansprakelijk is jegens de heer Vogels. Dit ondanks het feit dat hij niet direct betrokken was bij de advisering van de heer Vogels. Hem wordt verweten dat hij zonder meer een overeenkomst heeft getekend en het geld in ontvangst heeft genomen en daarmee zijn zorgplicht jegens de heer Vogels heeft geschonden. De tekst van de overeenkomst van 22 september 2011 (feitelijk een geldleningsovereenkomst in plaats van een deposito-overeenkomst) samen met de financiële positie van de vennootschap, had een zorgvuldig bestuurder moeten nopen tot het stellen van kritische vragen aan zijn medebestuurder, aldus de rechtbank. Oftewel, de heer Van Gool heeft in het onderhavige geval niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en een redelijk bekwaam vakgenoot mag worden verwacht.

Een uiteindelijk billijke uitkomst, waarbij slechts de kanttekening kan worden geplaatst dat het erop lijkt dat de rechtbank in deze zaak wel de extra horde heeft aangelegd voor de heer Van Gool, die geldt in het geval van bestuurdersaansprakelijkheid. De rechtbank heeft namelijk de claim op grond van de beroepsaansprakelijkheid beoordeeld aan de hand van de vraag of de bestuurders van het assurantiebedrijf een ernstig verwijt kon worden gemaakt. Die extra horde hoeft de rechtbank feitelijk niet op te leggen. Voldoende zou zijn geweest de overweging van de rechtbank dat deze beroepsbeoefenaren niet hebben gehandeld zoals het een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot betaamt.

Zie ook artikel Projectvennootschap biedt geen garantie tegen aansprakelijkheid

Contact
Mocht u naar aanleiding van dit artikel nog vragen hebben, neem dan contact op met Rob de Bruin van La Gro Advocaten via telefoonnummer 0182 - 518433 of via rdebruin@lagrolaw.nl