4 december 2017

Niet geschoten is altijd mis: de matiging van contractuele boetes

Sinds jaar en dag worden boetebedingen voor te late oplevering gehanteerd in bouwcontracten. Op grond van zo’n beding kan de opdrachtgever de aannemer aanspreken op betaling van een geldsom indien de aannemer het werk te laat oplevert, met alle gevolgen van dien. Het is daarom niet verrassend dat regelmatig de vraag wordt gesteld of van deze boete kan worden afgeweken. Anders gezegd: wanneer is matiging van een contractuele boete mogelijk in de bouwsector tussen zakelijke partijen?

Het boetebeding

Volgens art. 6:91 BW omvat een boetebeding ieder beding dat de schuldenaar die tekortschiet in de nakoming van zijn verbintenis verplicht tot betaling van een geldsom of andere prestatie. Een boetebeding wordt in de bouwsector vaak ook wel een kortingsregeling genoemd. Deze boetebedingen zijn veelal te vinden in aannemingsovereenkomsten, het toepasselijke bestek en in de gebruikelijke algemene voorwaarden in de bouwsector. Het beding kan enerzijds een schadefixerende werking hebben en anderzijds een prikkel tot nakoming zijn, of een combinatie van beiden. Op verlangen van de schuldenaar kan de rechter, op grond van art. 6:94 BW lid 1 BW, overgaan op matiging van de boete, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk vereist. Maar wat betekent dit in concreto?

Uitgangspunten bij matiging van een boete

Voorop staat dat de matiging van een contractuele boete alleen bij hoge uitzondering kan worden aangenomen. Dit brengt mee dat eerst van de matigingsbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt indien toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij is niet alleen de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete van belang, maar ook de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. De rechter kijkt naar alle relevante omstandigheden van het geval om te beoordelen of tot matiging van de boete moet worden overgegaan. In dit kader is o.a. de hoedanigheid van partijen van belang. Indien bijvoorbeeld bij het geschil twee professionele contractspartijen zijn betrokken, zal de rechter minder snel tot matiging overgaan. Dit geldt ook als er sprake is van een heldere resultaatverplichting, zoals de tijdige oplevering van het werk door de aannemer. In de meeste gevallen zal alleen een combinatie van omstandigheden tot matiging kunnen leiden. Het enkel uiteenlopen van het boetebedrag en de werkelijke schade is in de regel niet voldoende om tot matiging over te gaan.

Toepassing in de rechtspraak

Ondanks de bovengenoemde omstandigheden zijn er geen duidelijke lijnen te herleiden uit de jurisprudentie. Succes is daarom niet gegarandeerd bij een beroep op matiging. Rechters hanteren echter wel de algemene regel van terughoudendheid bij matiging, waardoor matiging meer uitzondering is dan regel. Daarnaast hechten rechters waarde aan de toepasselijke boetebedingen die voorkomen in de gebruikelijke algemene voorwaarden in de bouwsector (o.a. UAV 1989). Deze boetebedingen worden immers regelmatig van toepassing verklaard tussen professionele partijen en zijn daarom niet ongebruikelijke bedingen. Dit zijn omstandigheden die nopen om niet tot matiging over te gaan.

Rechters, en arbiters, voelen zich wel meer geneigd om tot matiging over te gaan indien er een uitzonderlijke wanverhouding is tussen de werkelijke schade en de boete. Wanneer zich zo’n situatie voordoet, is weer afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat matiging eerder aan de orde is indien de boete jegens een consument wordt ingeroepen.

Conclusie

Een beroep op matiging van een boete is snel gedaan, maar de kans dat dit tot een succes zal leiden is gering. Rechters, en arbiters, gaan terughoudend om met matiging van een boete. Of tot matiging van een boete wordt overgegaan hangt af van de omstandigheden van het geval. Voor een beroep op matiging in de bouwsector is met name van belang, naast de andere omstandigheden, om te kijken naar de hoedanigheid van partijen, of er een heldere resultaatsverplichting is, of er sprake is van een uitzonderlijke wanverhouding tussen de werkelijke schade en de boete, en of gebruik is gemaakt van een standaard kortingsregeling (zoals in de UAV 1989). Matiging is meer uitzondering dan regel, maar niet geschoten is altijd mis.

Vragen?

Heeft u vragen over dit onderwerp? Neemt u dan vrijblijvend contact op met de sectie Vastgoed & Overheid van La Gro Advocaten.