9 februari 2018

Hoge Raad: “Verschuldigde omzetbelasting bij verkoop in faillissementen geen boedelschuld”

Eind 2017 heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op prejudiciële vragen over de status van de omzetbelastingschuld die ontstaat bij verkoop en levering als gevolg van parate executie door de pandhouder. De Hoge Raad oordeelde dat deze omzetbelastingschuld geen boedelschuld oplevert.

Wat was de aanleiding voor dit arrest?

Een pandhouder heeft doorgaans zekerheidsrechten op de voorraden van een onderneming. In geval van een onderneming in de retailbranche zijn dit een van de belangrijkste assets. In geval van faillissement heeft de pandhouder de bevoegdheid dit pandrecht uit te winnen, bijvoorbeeld door middel van openbare verkoop. In de praktijk komen de pandhouder en curator vaak overeen dat de resterende voorraad uit de winkel wordt verkocht met behulp van personeel van de gefailleerde onderneming. Met deze variant kan doorgaans namelijk een hogere opbrengst worden gerealiseerd.

Een btw-schuld ontstaat op het moment dat goederen aan de koper worden geleverd. De Hoge Raad heeft al in 1983 bepaald dat een pand- of hypotheekhouder zich bij de uitwinning van zijn zekerheden, ook mag verhalen op de btw-component van de verkoopopbrengst. In beginsel moet de onderneming die de levering verricht, de btw afdragen aan de fiscus. Daardoor dreigde de fiscus verhaalsmogelijkheden te verliezen en is de BTW-verleggingsregeling ingevoerd, die inhield dat bij een executieverkoop de BTW verlegd wordt naar de koper, die dan de BTW dient af te dragen aan de fiscus.

Deze verpande voorraden worden met name in een sterk toenemend aantal faillissementen in de retailbranche (zoals V&D, DA, Miss Etam etc.) aan consumenten verkocht, in welk geval de btw-verleggingsregeling juist niet van toepassing is. Dit leidde tot de situatie dat de failliete onderneming niet de opbrengst genoot van de verkochte zaken – die ging immers naar de pandhouder – maar wel de daaronder begrepen omzetbelasting diende af te dragen. Dat was nadelig voor de verhaalspositie van de fiscus.

Deze problematiek heeft met name vanwege vele recente faillissementen in de retailbranche voor veel discussies gezorgd. Dat vormde aanleiding om daarover prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, die deze heeft beantwoord in zijn arrest van 17 december 2017.

Arrest Hoge Raad

De Hoge Raad heeft in een in 2013 gewezen arrest bepaald welke categorieën boedelschulden er zijn en welke criteria daarvoor gelden. Als de vordering van de fiscus uit hoofde van omzetbelasting zou worden aangemerkt als boedelschuld, dan heeft de fiscus een aanmerkelijk grotere kans op enige voldoening daarvan.

In zijn arrest van 15 december 2017 oordeelde de Hoge Raad onder verwijzing naar zijn arrest uit 2013 echter kort gezegd dat deze btw-schuld aan de fiscus geen boedelschuld oplevert.

De Hoge Raad heeft vervolgens nog kort aandacht besteed aan het op 1 januari 2018 in werking getreden artikel 42d Invorderingsweg 1990. Daarin is het gat voor de fiscus aan eventuele verhaalsmogelijkheden beperkt doordat de pand- of hypotheekhouder die zich op de btw-component van de opbrengst verhaalt, vervolgens hoofdelijk aansprakelijk wordt voor de betaling van deze omzetbelasting aan de fiscus.

Contact

Heeft u vragen over dit onderwerp? Neemt u dan vrijblijvend contact op met de sectie contractenrecht van La Gro Advocaten via Donald Volleberg via telefoonnummer 0182-518 433 of per e-mail dvolleberg@lagrolaw.nl

Hier kunt u het arrest van de Hoge Raad teruglezen: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:N...