5 februari 2018

Dienstenrichtlijn en bestemmingsplannen

Op 30 januari 2018 heeft het Hof van Justitie van de EU (zaak C-360/15 en C-31/16) een interessant arrest gewezen over de vraag of de Dienstenrichtlijn eraan in de weg staat dat een gemeenteraad in een bestemmingsplan voorschriften opneemt die inhouden dat het verboden is om niet-volumineuze detailhandel te drijven buiten een stadscentrum.

Wat was het geval?

In een door de gemeenteraad van Appingedam vastgesteld bestemmingsplan was opgenomen dat de voor “Detailhandel – 2” aangewezen gronden bestemd zijn voor volumineuze detailhandel. Volgens de definitiebepalingen van het bestemmingsplan wordt onder volumineuze detailhandel verstaan detailhandel die qua aard niet meer goed inpasbaar is in bestaande winkelcentra, waaronder onder andere begrepen worden de detailhandel in auto’s, caravans en tenten, keukens, badkamers, bouwmaterialen, tuincentra, landbouwartikelen, ruitersportartikelen, fietsen en autoaccessoires.

In Appingedam bevindt zich het Woonplein waar ingevolge het bestemmingsplan uitsluitend volumineuze detailhandel is toegestaan. Een eigenaar van winkelpanden aan het Woonplein wenst een pand te verhuren aan Bristol BV, een discountketen voor schoenen en kleding. De eigenaar van de winkelpanden stelt beroep in bij de Raad van State tegen het door de raad van Appingedam vastgestelde bestemmingsplan en betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met de Dienstenrichtlijn en dat de door de raad opgenomen beperking tot volumineuze detailhandel niet is toegestaan. De Raad van State heeft het Hof van Justitie EU verzocht om een beslissing te geven over de vraag of een gemeenteraad in een bestemmingsplan beperkende voorschriften mag opnemen terzake detailhandel.

Het Hof komt allereerst tot het oordeel dat de detailhandel in goederen een dienst is waarop de Dienstenrichtlijn van toepassing is. De Dienstenrichtlijn brengt met zich dat er vrijheid bestaat voor dienstverrichters om zich vrij in de EU te vestigen en dat er geen belemmeringen mogen worden opgeworpen die die vrijheid beperken, ook niet als er geen grensoverschrijdende situatie aan de orde is. Verder stelt het Hof dat een territoriale beperking – geen “normale” detailhandel op het Woonplein – niet in strijd is met de Dienstenrichtlijn mits een dergelijke eis non-discriminatoir, noodzakelijk en evenredig is. Het Hof overweegt dat het behoud van de leefbaarheid van het stadscentrum en het voorkomen van leegstand in binnenstedelijk gebied, in het belang van een goede ruimtelijke ordening, een dwingende reden van algemeen belang kan vormen die een territoriale beperking rechtvaardigt. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of daarvan sprake is.

De Dienstenrichtlijn laat toe dat gemeenteraden beperkende planregels vaststellen zoals Appingedam gedaan heeft maar er moet wel in de plantoelichting gemotiveerd worden dat zulks gerechtvaardigd wordt door een dwingende reden van algemeen belang. Als die er niet is zal in het onderhavig geval een planregel die uitsluitend volumineuze detailhandel ter plaatse toestaat in strijd komen met de Dienstenrichtlijn. Het is van belang dat gemeenteraden goed motiveren waarom bepaalde diensten in de zin van de Dienstenrichtlijn uitsluitend op een specifieke locatie mogen worden verricht. De verwachting is dat als uitsluitend ruimtelijke argumenten gebezigd worden, de nationale rechter zal oordelen dat sprake is van een dwingende reden van algemeen belang die een planologische beperking rechtvaardigt om bepaalde diensten in de zin van de Dienstenrichtlijn niet toe te laten.

Voor meer informatie kunt u gerust contact op nemen met uw contactpersoon van onze sectie Vastgoed & Overheid of mr. J.J. Turenhout via telefoonnummer 0172 - 503234 of per e-mail jturenhout@lagrolaw.nl.