8 januari 2018

Denk aan (toekomstige) 'what if's' bij het opstellen van uw overeenkomst!

Het uitgangspunt bij een overeenkomst is dat gemaakte afspraken nagekomen moeten worden. Wel zijn er een aantal uitzonderingen. Eén uitzondering is het leerstuk van toekomstige onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 BW). De Hoge Raad heeft echter recent benadrukt dat een beroep op toekomstige onvoorziene omstandigheden niet snel gehonoreerd zal worden. Partijen doen er dus goed aan om in de overeenkomst rekening te houden met een wijziging van omstandigheden en concreet afspraken te maken over de gevolgen voor de overeenkomst, mocht een dergelijk scenario zich verwezenlijken.

Bevolkingskrimp

In het bovengenoemde arrest was een geschil ontstaan tussen een projectontwikkelaar en de gemeente Bronckhorst in de provincie Gelderland. Partijen hadden afgesproken dat de projectontwikkelaar een omvangrijk woningproject zou gaan realiseren. Na het sluiten van de overeenkomst wil de gemeente de overeenkomst beëindigen. De behoefte voor woonruimte bleek immers door bevolkingskrimp een stuk lager uit te vallen.

In dat kader beriep de gemeente zich enerzijds op artikel 13 en 21 lid 1 van de overeenkomst, die volgens de gemeente de mogelijkheid bood om de overeenkomst te beëindigen, nu in de visie van de gemeente sprake was van toekomstige onvoorziene omstandigheden. Anderzijds beriep de gemeente zich ook op artikel 6:258 BW.

De tweetrapsraket van 6:258 BW

Nadat het hof Arnhem-Leeuwarden de projectontwikkelaar in hoger beroep in het gelijk had gesteld komt de Hoge Raad tot een soortgelijke conclusie. Aan de gemeente komt geen succesvol beroep toe op toekomstige onvoorziene omstandigheden en geeft daarbij de volgende onderbouwing.

Ten eerste moest beoordeeld worden of sprake was van een toekomstige omstandigheid die niet verdisconteerd was in de overeenkomst. Nu de gemeente voor het sluiten van de overeenkomst al was geïnformeerd over de bevolkingskrimp had de gemeente hiermee (tijdig) rekening kunnen c.q. moeten houden. Het was dan ook niet onvoorzien.

Indien wel sprake was geweest van een toekomstige onvoorziene omstandigheid was de vervolgvraag vervolgens of de omstandigheden dusdanig ingrijpend waren dat zij naar hun aard een wijziging of ontbinding van de overeenkomst zouden rechtvaardigen. Deze afweging dient gemaakt te worden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, gelet op onder meer de aard van de overeenkomst en de aard en gewicht van de betrokken maatschappelijke belangen.

Ook hier was niet aan voldaan, gelet op het feit dat de gemeente al tijdig op de hoogte was gebracht van de bevolkingskrimp en de projectontwikkelaar niet (tijdig) had geïnformeerd. Voorts is de gemeente niet in overleg getreden met de projectontwikkelaar over een eventuele aanpassing van de overeenkomst, maar wou de gemeente direct over gaan tot ontbinding en kwam zij bovendien met een zeer karig aanbod tot schadevergoeding. De gemeente heeft dan ook onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de projectontwikkelaar en daarmee heeft zij de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht als bestuursorgaan geschonden. De Hoge Raad stelt de projectontwikkelaar dan ook in het gelijk en benadrukt tot slot dat niet snel voldaan zal zijn aan de eisen van artikel 6:258 BW.

De les voor ondernemers: houd rekening met gewijzigde omstandigheden!

Hoewel het onmogelijk is om met alle mogelijke toekomstige scenario’s rekening te houden doen ondernemers er goed aan om de belangrijkste scenario’s op een rijtje te zetten en concreet afspraken te maken over de gevolgen voor de overeenkomst indien zich een dergelijk geval voordoet. Uit het arrest van de Hoge Raad blijkt immers dat een beroep op 6:258 BW niet snel gehonoreerd zal worden.

Contact

La Gro Advocaten helpt u dan ook graag bij het opstellen van uw overeenkomst. Voor meer informatie kunt u gerust contact op nemen met uw contactpersoon van onze sectie Ondernemingsrecht of mr. drs. Jan Spanjaard via telefoonnummer 0172 - 503227 of per e-mail JSpanjaard@Lagrolaw.nl.